Het is woensdagochtend kwart voor negen. Ik hoor in de les te zijn.
Maar ik ben er niet.
Ik zit met mijn hoofd bij het volgende vak, waarvoor ik een paper moet indienen. Het grootste werk heb ik vannacht geleverd, maar de finishing touch, daar ben ik nu mee bezig: nalezen en afdrukken. En dat duurt even, als je op de enige printer in het computerlokaal van de school vertrouwt.
Op weg naar de klas bedenk ik – als excuus – een andere ochtend. Ik kom wel vaker te laat, ik heb het in de vingers.
Het laatste stukje leg ik sprintend af: gang uit, vier trappen op, dubbele deur, en dan rechts, lokaal 228.
Ik val de klas binnen, gooi mijn rugzak op de grond, zak neer op een stoel en begin. Dat tram 2 vanochtend niet reed – technische storing – dat ik daarom helemaal terug moest naar mijn kot, om mijn fiets te nemen, en halverwege viel de ketting eraf, gelukkig heeft een vriendelijke voorbijganger me geholpen, maar toen sprongen alle verkeerslichten op rood, en dan bleek dat ik mijn gsm vergeten was, dus dat ik niks kon laten weten, wat een gedoe, maar gelukkig ben ik er geraakt.
Achteraf blijkt dat mijn docente mij vanochtend al door de gang had zien lopen, en dat ze zich hardop verbaasde dat ik er nog niet was, toen ze om half negen stipt de klasdeur sloot.
UIT DE VERGEETPUT









