De sabelsprinkhaan

tekst — Kaat op juni 24, 2011 om 13:57

De sabelsprinkhaan wilde zich ook wel eens schamen, net als iedereen.
Maar hij wist niet wat dat was en hoe dat voelde.
Hij ging naar de boktor.
‘Ik ben zo zelfingenomen, boktor,’ zei hij. ‘Ik vind mijzelf het bijzonderste dier dat er bestaat. En dat ben ik ook. Kijk maar.’
Hij draaide op zijn hakken in het rond.
De boktor wierp een blik op hem en ging toen door met zijn werk: een toeter maken voor de kikker, zodat zijn gekwaak tot voorbij de horizon te horen zou zijn en iedereen die daar woonde er ook eens van genieten kon.
‘Ik heb me nog nooit ergens voor geschaamd,’ ging de sabelsprinkhaan verder. ‘En dat wil ik ook wel eens. Ik wil alles wel eens. Als ik me heb geschaamd wil ik gaan tobben, dat heb ik ook nog nooit gedaan, en daarna wil ik tot inkeer komen. Er is zòveel…’
De boktor had nog wat schaamte liggen. Wel ja, dacht hij.
De sabelsprinkhaan wreef zijn voelsprieten over elkaar en zei: ‘Ik ben zeer benieuwd.’
De boktor gaf hem de schaamte. Maar hij was met zijn gedachten bij de vérreikende toeter voor de kikker, en gaf veel te veel.
De sabelsprinkhaan dankte hem, ging naar buiten, werd vuurrood, holde weg, verschool zich achter een boom, stak zijn hoofd daar onder de grond, verscheurde — met zijn hoofd onder de grond — zijn kleren, stikte bijna en vond het verschrikkelijk dat hij de sabelsprinkhaan was.
Hij hoopte vurig dat niemand hem zou zien en vreesde dat de wenkbrauwmotmot langs zou komen en smalend op zijn vuurrode, verfomfaaide lijf zou neerkijken, terwijl zijn hoofd nog onder de grond zat.
‘Ach ja…’ hoorde hij hem al zeggen, ‘een van ons moet de gewoonste zijn… dat hij dat is… tja… in feite ben ik hem nu al vergeten… alleen al die onbeduidende benen… en dat nietszeggende ruggetje… hu…’ En hij zou vlug doorlopen.
Toen het donker werd trok de sabelsprinkhaan zijn hoofd uit de grond en sloop zo onopvallend mogelijk terug naar het huis van de boktor.
Hij klopte op de deur. ‘Boktor, boktor…’zei hij zachtjes, terwijl de zweetdruppels van zijn voorhoofd alle kanten opspatten. ‘Kan ik ook onzichtbaar worden?’
Maar de boktor sliep al.
De sabelsprinkhaan schoof de schaamte onder de deur door en liep het bos in.
Hij rechtte zijn rug en keek fier om zich heen. Niemand zag hem. Die verschrikkelijke wenkbrauwmotmot slaapt natuurlijk al, dacht hij. Die is moe van belachelijkheid. Ik kan er gewoon niet bij hoe belachelijk die is.
Hij liep verfomfaaid, maar zelfingenomen verder. Ik ben weer bijzonder, dacht hij, en wreef zich in zijn voelsprieten.
Maar zijn zelfingenomenheid was zwaar geworden en leek als een steen op zijn rug te liggen, en of hij weer het bijzonderste dier was dat er bestond wist hij niet zeker meer, en hij wist ook niet hoe hij daar achter kon komen.

TOON TELLEGEN

© 2017 | SCHAAMTE.BE | Kaat Haest