Dit gedicht schaamt zich
Dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het – dichter – jouw beul kan
vermoorden.
LUCEBERT
Dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het – dichter – jouw beul kan
vermoorden.
LUCEBERT
De sabelsprinkhaan wilde zich ook wel eens schamen, net als iedereen.
Maar hij wist niet wat dat was en hoe dat voelde.
Hij ging naar de boktor.
‘Ik ben zo zelfingenomen, boktor,’ zei hij. ‘Ik vind mijzelf het bijzonderste dier dat er bestaat. En dat ben ik ook. Kijk maar.’
Hij draaide op zijn hakken in het rond.
De boktor wierp een blik op hem en ging toen door met zijn werk: een toeter maken voor de kikker, zodat zijn gekwaak tot voorbij de horizon te horen zou zijn en iedereen die daar woonde er ook eens van genieten kon.
‘Ik heb me nog nooit ergens voor geschaamd,’ ging de sabelsprinkhaan verder. ‘En dat wil ik ook wel eens. Ik wil alles wel eens. Als ik me heb geschaamd wil ik gaan tobben, dat heb ik ook nog nooit gedaan, en daarna wil ik tot inkeer komen. Er is zòveel…’
De boktor had nog wat schaamte liggen. Wel ja, dacht hij.
De sabelsprinkhaan wreef zijn voelsprieten over elkaar en zei: ‘Ik ben zeer benieuwd.’
De boktor gaf hem de schaamte. Maar hij was met zijn gedachten bij de vérreikende toeter voor de kikker, en gaf veel te veel.
De sabelsprinkhaan dankte hem, ging naar buiten, werd vuurrood, holde weg, verschool zich achter een boom, stak zijn hoofd daar onder de grond, verscheurde — met zijn hoofd onder de grond — zijn kleren, stikte bijna en vond het verschrikkelijk dat hij de sabelsprinkhaan was.
Hij hoopte vurig dat niemand hem zou zien en vreesde dat de wenkbrauwmotmot langs zou komen en smalend op zijn vuurrode, verfomfaaide lijf zou neerkijken, terwijl zijn hoofd nog onder de grond zat.
‘Ach ja…’ hoorde hij hem al zeggen, ‘een van ons moet de gewoonste zijn… dat hij dat is… tja… in feite ben ik hem nu al vergeten… alleen al die onbeduidende benen… en dat nietszeggende ruggetje… hu…’ En hij zou vlug doorlopen.
Toen het donker werd trok de sabelsprinkhaan zijn hoofd uit de grond en sloop zo onopvallend mogelijk terug naar het huis van de boktor.
Hij klopte op de deur. ‘Boktor, boktor…’zei hij zachtjes, terwijl de zweetdruppels van zijn voorhoofd alle kanten opspatten. ‘Kan ik ook onzichtbaar worden?’
Maar de boktor sliep al.
De sabelsprinkhaan schoof de schaamte onder de deur door en liep het bos in.
Hij rechtte zijn rug en keek fier om zich heen. Niemand zag hem. Die verschrikkelijke wenkbrauwmotmot slaapt natuurlijk al, dacht hij. Die is moe van belachelijkheid. Ik kan er gewoon niet bij hoe belachelijk die is.
Hij liep verfomfaaid, maar zelfingenomen verder. Ik ben weer bijzonder, dacht hij, en wreef zich in zijn voelsprieten.
Maar zijn zelfingenomenheid was zwaar geworden en leek als een steen op zijn rug te liggen, en of hij weer het bijzonderste dier was dat er bestond wist hij niet zeker meer, en hij wist ook niet hoe hij daar achter kon komen.
TOON TELLEGEN
Een man dacht dat hij vrij was
en een engel sloeg hem neer
de man zei dat hij vrij was
en weer sloeg de engel hem neer
de man zei opnieuw dat hij vrij was
en opnieuw sloeg de engel hem neer
toen schreeuwde de man dat hij vrij was,
dat hij altijd vrij was, dat hij nooit iets anders dan vrij zou zijn,
maar de engel sloeg hem tot bloedens toe neer
en schaamte en vergeefse moeite woeien op
en verspreidden zich als stof
over de grijze aarde
en de man stamelde dat hij vrij was,
dat hij dacht dat hij vrij was
en de engel vloog weg.
TOON TELLEGEN
Wij stonden in de keuken, zij en ik
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.
Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?
Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine van het tuimelraam.
Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.
MARTINUS NIJHOFF
Het ergste is als ik wc-papier moet
halen dat in de reclame is, want
dat verkopen ze met vierentwintig
rollen samen in doorzichtig plastic,
zodat iedereen op straat ziet wat het
is en denkt: nou zeg, dàt kind gaat
prinsheerlijk zitten poepen! Terwijl
ik nòòit zelf toiletpapier zou kopen
als het niet van mama moest. Ik kijk
naar de grond; ik kan toch niet tegen
iedereen op straat roepen: ‘t is voor
mijn moeder! Het is voor mijn moeder!
TED VAN LIESHOUT
ik ben ten einde raad
bij de éne waar een paar verdorde bloemen door de
zuurgeworden bami heensteken en die ik gisteren al niet
dicht kreeg heb ik over alles heen nog de rest van de
yoghurt gegooid
de andere heb ik uiteindelijk dichtgekregen
maar toen ik hem optilde bleek er onderin een gaatje
te zitten waar een tak doorheen stak
waarlangs een straaltje sap liep
dat erg stonk
wat nu — denk ik –
ik loop naar het raam en zie de andere allemaal netjes
buiten staan in groepjes van twee of drie
alleen voor mijn deur staat niets
ze heeft wéér geen huisvuil zullen ze zeggen
ze eet alles op
verdorde bloemen
melkflessen
aardappelschillen
koffiedik
alles
op straat zullen ze met een boog om me heenlopen en
als ik langskom zullen ze schrikken en gauw hun huizen
inschieten
ze zullen hun kinderen binnenroepen en hun honden op
me loslaten
ik zal vereenzamen en de zin van het leven niet meer
zien
wat nu — denk ik –
ineens heb ik de oplossing
ik pak een nieuwe vuilniszak en kruip erin
ik zet mezelf naast de andere twee
er valt een zware last van me af
ik ben opgelucht
ik heb geen verantwoordelijkheid meer
ik kan hoogstens nog denken
als jij maar niet vergeet om de vuilniszakken straks
buiten te zetten
méér kan ik niet doen
als je thuis komt zul je kwaad zijn
ten eerste kun je me niet vinden en ten tweede heb ik
wéér de vuilniszakken niet buiten gezet
zuchtend zul je ze één voor één oppakken en al gauw staan
we met z’n drieën voor de deur
met mij zul je een beetje moeite hebben maar dat heb
je wel vaker en tenslotte is dit de laatste keer
in de straat zullen ze zeggen
hé daar heb je op het laatste nippertje toch nog het
huisvuil van nummer 21
hun houding ten opzichte van mij zal plotseling
veranderen
maar het is te laat
fluitend neemt een donkere gastarbeider me in zijn
armen
en onder gerinkel van ijzer
en het luiden van de bel
vertrek ik
na een leven van zorgen over alles waar je
altijd aan moet denken
naar de grote vuilnisbelt
waarvan nog nooit iemand is teruggekeerd
LISELORE GERRITSEN
_____________________________________________________
> Wat zegt je afval over jou(w leef- & eetgewoonten)?
>> Maak een wandeling door je buurt wanneer het afval buiten staat, neem een foto van een opmerkelijk hoopje vuilniszakken, en bedenk er een verhaal bij…
We gingen naar zee. Mijn oma klom op de keien,
die zwarte, die een mijl in het water steken.
Wij op het strand zagen haar, armen wijd,
dun knotje los, zwarte winterjas open,
glibber glibber over wier en algen lopen,
hoorden haar de ergste woorden schreeuwen,
schuddend met haar vuisten naar de bleke,
schichtig achteruit vliegende meeuwen.
Op het eind (we hadden stijve monden, konden
geen voet verroeren) draaide ze toch nog om.
Je moet, zei mijn vader, bij grootouders altijd even
denken: hoelang hebben ze nog te beven.
EVA GERLACH
Hij
Ik wil iets zeggen maar ik ben ervoor beschaamd…
Zij
Als je verlangen naar iets moois of eerbaars ging
en als je tong niets onvertogens wilde vragen,
dan hield je niet beschaamd je ogen neergeslagen
maar had ervan gesproken zonder aarzeling…
SAPPHO
voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,
de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,
het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,
zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf
zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.
Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had
onder de wielen van de tijd wegstoof.
MENNO WIGMAN
Er komt een dag dat ik besluit:
geen schaamte om mijn kleren uit,
jouw handen toelaat op mijn huid,
al weet ik nog niet wie jij bent.
Voorlopig schaam ik mij nog door.
Twee blote lijven vind ik goor,
omdat ik nog bij niemand hoor
die ‘t mijne al van buiten kent.
Hoe diep gaat liefde, is de vraag.
Hoe ver voorbij de randen?
Tot in mijn ingewanden?
Tot hart en lymfeklieren?
Tot botten, pezen, spieren?
Hou jij ook van mijn nieren?
Of gaat de liefde toch misschien
alleen tot wat het oog kan zien?
Stel dat ik door een ongeval
mijn lichaam niet meer voelen zal,
aai jij dat lichaam dan nog wel?
Of stopt de liefde bliksemsnel?
Hoe diep gaat liefde, is de vraag.
Hoe ver voorbij de randen?
Tot in mijn ingewanden?
Tot hart en lymfeklieren?
Tot botten, pezen, spieren?
Hou jij ook van mijn nieren?
Of gaat het om de schone schijn:
dit vel dat ik probeer te zijn?
Stel dat ik door een ongeluk
mijn been verlies en loop met kruk,
kus jij die kruk dan of dat been?
Of stopt de liefde dan meteen?
TED VAN LIESHOUT
Geïnspireerd door de wondermooie déchirures van Willem van Malsen schreef Kees van Kooten zijn eerste kinderboek: een lang, geestig rijm waarin het verhaal wordt verteld van een paard dat zich schaamt voor zijn ‘plofsels’ en dat pas gelukkig wordt als het ongezien en ongestoord kan ‘ploffen’. Een prachtig prentenboek, op groot formaat en geheel in kleur.
“Het Schaampaard kon wel huilen.
Waar moest zij zich verschuilen
als zij discreet wou ploffen
en er iemand langs kwam sloffen?
(Schaampaard was zo chic dat zij
wat zij doen moest in haar wei
- je krijgt aandrang en het kietelt -
maar als ‘ploffen’ had betiteld.)
Mensen hebben hun toiletten
waar zij vrijuit kunnen spetten;
dan is monddicht een pleziertje.
Maar wie zag ooit een diertje
met een wit wc-papiertje?
Dus je snapt hoe zij het vond
zoals ze daar te kijk stond,
met die misbaksels in haar gras.
Het was scrabeus. Het gaf geen pas.
Het was ook onhygiënisch.
Als zij een stap verzette
en dan zo’n plofbol plette
werd half haar onderbeen vies.
Abbah! Haar hoef! Het plakt eraan!
Komt ‘behoefte’ daarvandaan?
Schaampaard hinnikt naar de maan:
moet dit zo eeuwig doorgaan,
waar kan ik straks nog schoon staan?” (p.8-10)
KEES VAN KOOTEN
_____________________________________________________
> Ben jij zo’n type dat het moeilijk vindt om naar het toilet te gaan als er iemand in de buurt is? Of trek jij je daar net niks van aan?
>> Ontwerp je ideale wc-hokje… (Welk type bril? Welke achtergrondmuziek? Temperatuur? Lectuur? Geur?)
“Mijn vader zat altijd met de deur wagenwijd open te schijten. Zijn humus stonk buitenaards naar jarige kaas en vaak stond hij in zijn blote klokken in de gang, op twee meter van de pot, zodat ik niet kon doen alsof ik hem niet hoorde, en riep hij me hem een nieuwe rol toiletpapier of het andere stuk van de krant te bezorgen. Jaren was het zo gegaan, en het systeem werkte uitstekend: mijn vader kreeg zijn rol toiletpapier en zijn stuk krant altijd meteen. Maar nu Sylvie, mijn Brusselse nichtje, erop keek, leken wij ons opeens te willen verontschuldigen voor onszelf. We schaamden ons omdat we ’s ochtends krabbend en schartend in onze onderbroek de trap afdaalden. We schaamden ons omdat we voor televisie lagen te paffen met onze zweetvoeten op tafel. We schaamden ons om de kilo’s rauw gehakt die we aten voor de goedkoop en het gemak, en omdat we met onze blote hand in dat gehakt grepen en het goedje zo in onze mond staken en doorspoelden met koude koffie die ergens nog in een mok van gisteren was blijven staan. We schaamden ons om de wormen die we van het gehakt kregen en waartegen wij niets ondernamen. We schaamden ons om onze scheten die we lieten als kapelmeesters, de boeren die we vrije doorgang lieten. We schaamden ons om onze vloeken om niets, om het schaamhaar dat we ruifden boven de plee, om onze teennagels die we manueel korter scheurden en die vervolgens maanden bleven liggen op de mat. We schaamden ons om de sigaretten waarmee we in slaap vielen in de zetel, onze nicotinebruine tanden, onze bierlucht. We schaamden ons om de sletjes die mijn grootmoeder onaangekondigd aantrof bij het ontbijt en aan wie ze steeds opnieuw de naam moest vragen. We schaamden ons om onze dronken gezangen, onze smerige taal, ons braaksel en de steeds frequentere bezoeken van politie en deurwaarder. We schaamden ons, maar we deden er niets aan. ” (p.13-14)
DIMITRI VERHULST
Moeders moeten niet hun kinderen mee de stad in
nemen en dan achterlijk doen. Vooral niet in drukke
winkelstraten, waar iedereen loopt die de tijd heeft
om rond te kijken. Moeders moeten buiten niet te
hardop praten. En als moeders merken dat hun arme
kinderen zich doodschamen en een paar passen
inhouden om er niet bij te horen, moeten ze niet
expres gaan huppelen zodat echt iederéén ziet dat
ze aanstelsters zijn die hun kinderen voor de lol
voor schut zetten. Moeders moeten zeker niet zingen
midden in de stad als ze begrijpen kunnen dat hun
kinderen wel door de grond zouden willen zakken.
O, moeders hoeven zich niet te verstoppen in stilte,
maar eigenlijk liever wel, als een kind enkel nieuwe
schoenen moet en die moeder naar buiten mag
van mij.
TED VAN LIESHOUT
_____________________________________________________
> Wanneer heb jij je al eens geschaamd voor je moeder (vader)?
Of wanneer heb je als moeder (vader) gevoeld dat je kinderen zich voor jou schaamden?
>> Zoek eens een (jeugd)foto van je moeder (vader) waarvoor je je schaamt…
Het gevoel is verder schalks en schaamteloos,
maar toch gaan eerst lakens en dekens erover
en het donker. En de deur moet dicht. Ook het gordijn.
Met mijn ogen gesloten is het mezelf zijn de zekere
zevende zijde van mijn kamer, vloer en plafond
verwisselbaar. En in het diepste geheim, maar blij
om wat het betekent (dat ik voortaan kinderen kan krijgen),
ben ik de enige in de wereld die zijn eerste natte droom
is voor geweest, al schrok ik toch – maar ik heb erop geoefend.
Ik daal traag de trap af. In stilte ruist het applaus en bij
de aanraking van mijn voeten lichten de treden op. Ik hoef verder
geen geroffel op de trom of fanfare. Ze hebben hun slaap nodig,
denk ik met plotseling verstand. Wél trek ik door, expres.
De stortbak juicht me toe. Maar het is onzin om te buigen.
Overdreven. Zie deze man die zonder ophef deze trap op schrijdt.
TED VAN LIESHOUT
Dames en heren, vlees is het mooiste.
Huid is donzig, lippen zijn gretig,
maar het beminnelijkste is het binnenste:
een nier, een maag of een uier,
zedig aan een slagershaak
nabij een slagersvrouw met borsten.
Nee, lieve mensen, bloemen: nee.
Bloemen zijn zo zelden goed
in janken, in gillen of zoenen.
En overzacht verteren zij hun spijzen,
waarna gedistingeerde veesten
uit darmen van zijde.
Vlees is mooier. Longen bijvoorbeeld.
Zoals die kunnen hangen
in een pas geslachte zeug:
verwoeste engelen vol lucht.
Dames en heren, omdat u zelf
voornamelijk uit vlees bestaat,
ben ik geneigd tot intimeit.
Kom, trekt u eens uw kleren uit,
daarna uw huid. Er balkt in elk van ons
een ezel van je welste.
LUUK GRUWEZ
21. Over schaamte, stijl en plaatsvervangende schaamte (p.68-69)
“Over de schrijver zijn schaamte. Want daarover hebben we het eigenlijk nog niet gehad. Wél over vergelijkingen, vorm en inhoud, afbeeldingen en de techniek ervan, kortom de spiegels, en het zal duidelijk zijn waartoe al deze spiegels dienen.
Wie schrijft, beschrijft zichzelf. En dat doet hij beter naarmate hij verder doordringt tot de kern van zijn persoonlijkheid en deze blootlegt – voor anderen. Dit proces gaat met schaamte gepaard, bij de schrijver, maar zo mogelijk nog meer bij de lezer en het is terwille van deze lezer dat hij, de schrijver, spiegels gebruikt, meer nog dan voor zichzelf. Je toont het ene, maar je bedoelt het andere.
Dàt is het wat, in je vertoning, je techniek uitmaakt. In de letteren heet dat stijl. Schaamte, die overwonnen wordt door stijl. Als je wilt weten wat ‘literatuur’ nu precies inhoudt, is dat misschien een goede, want eenvoudige definitie.
Deze definitie verklaart ook de gêne van de schrijver als hij zich vertoont aan het publiek en optreedt in het openbaar – als hij daartoe niet de juiste hoed heeft opgezet. In dit verband herinner ik me een reactie van de dichter Van Geel, op het verzoek om samen met alle dichters van Nederland op te treden in Carré. Hij was de enige die niet kwam, met als opgave van reden: dat hij zich schaamde. Hij bracht dit niet als verontschuldiging, maar als verwijt: ‘als dichter hoor je je voor wat je doet te schamen’
Schaamte voor jezelf, schaamte voor je werk. Er is nog een derde soort schaamte: de schaamte van de schrijver voor zijn vakgenoten, de andere schrijvers. Een schaamte die uitbreekt als je je voorstelt de ander te zijn. Een schaamte die te maken heeft met trots. Jaren geleden had ik ’s een discussie met iemand die bekend stond, en zich ook manifesteerde, als een groot vrouwenliefhebber. Ik had, gestuurd door de nieuwste inzichten op dat gebied, me laten ontvallen dat ik, och, voor homoseksueel gedrag ‘best wel’ begrip kon opbrengen: twee mannen bij elkaar die in elkaar zichzelf… Niets ervan. De man raakte geweldig geëmotioneerd. Dat ik, met mijn gedichten, zò iets kon zeggen. Als hij met een vrouw was, dan was dat zò iets moois, daar genoten ze beiden van, en als hij zich dan voorstelde dat twee mànnen… Dat was toch verschrikkelijk…lelijk?
Plaatsvervangende schaamte noemt men dit. Degene voor wie men zich schaamt, schaamt zich misschien zelf helemaal niet. Dezelfde reden waarom sommige vrouwen (en mannen) geen pornografie kunnen verdragen.
Dezelfde reden waarom je als schrijver soms het werk van een ander schrijver niet verdragen kunt. Je leest iets van hem en denkt dat je het zelf geschreven hebt en het zweet breekt je uit: ben ik zò’n platte geest? Onmacht is het gevolg van dit soort lezen. Woede. Agressie. Boeken worden verscheurd en in de grond gestampt. Komt alleen voor onder schrijvers.”
GERRIT KROL
Niet langer bij wijze van spreken,
maar in de precisie van huid en haar,
een schoonheid met leeftijd en wereld:
ik wil een antwoord, geen vraag.
Ik wil een kamer zonder verbeelding,
een vrouw die is wat ik lees.
Honger die het verlangen kan breken,
wrevel wordt, vlees op vlees.
Ik wil je schaamte, je kleine gebreken,
je schoonheid in menselijke taal.
Maar ik vrees dat te veel is geschreven,
dat de werkelijkheid niet meer bestaat.
CHARLES DUCAL

Alfredo heeft nog zes maanden te leven, maar hij vindt geen geschikt moment om het zijn familie te vertellen. Zijn moeder is net gestorven, zijn bejaarde vader ontmoet een nieuwe liefde en sluit zich op in het verzorgingstehuis waar zij woont, zijn vrouw ontvangt liefdesbriefjes van een geheime minnaar, zijn tienerdochter neemt wraak op haar beste vriendin en zijn zoon ziet geesten. En tot overmaat van ramp is de kat er ook nog eens vandoor. Alfredo zoekt troost bij zijn secretaresse, zonder de gevolgen te overzien…

Vier Afrikaanse vrouwen laten alles achter, op zoek naar een beter leven. Ze worden alle vier naar Antwerpen gesmokkeld door dezelfde pooier, een zwaarlijvige Nigeriaanse man die Dele heet, en komen in de prostitutie terecht. Een van de vrouwen, Sisi, sterft. Haar dramatische lot dwingt de andere vrouwen tot een genadeloos zelfonderzoek. Waarom hebben ze het zover laten komen met hun leven? In ‘Fata Morgana’ vertelt Chika Unigwe het verhaal van de vrouwen achter de ramen van de Vingerlingstraat. Ze zijn aangespoeld op een plek waar zich niets dan de resten van de samenleving bevinden. Elk gezicht daar is inwisselbaar en geschiedenisloos.
Ischa Meijer was de beste interviewer van Nederland. Deze bundel is daarvan het bewijs. In tientallen interviews ontstaat het beeld van iemand die alles durfde te vragen, en meestal nog antwoord kreeg ook. Ischa Meijers methode had tot gevolg dat geïnterviewden meer over zichzelf prijsgaven dan ze zich hadden voorgenomen. Dat leverde bijzondere portretten op, en spectaculaire interviews.
Meijer interviewde Annie M.G. Schmidt voor de avro-televisie. Het was de laatste aflevering van een vierdelige documentaire over de schrijfster, gemaakt door Bos Bros tv-productie.