En zo blijft het schrijven dus altijd weer: oplossingen zoeken. Voor de schaamte, voor de twijfel en voor de hoogmoed.

schaamteverzameling — Kaat op februari 2, 2013 om 00:45

Wie of wat heeft mij ooit iets geleerd?

De vraag is te verstrekkend voor dit blad en voor het geheugen. Dus dun ik ze uit: wie of wat heeft mij leren schrijven?

Maar dan ga ik ervan uit dat ik kan schrijven, terwijl ik daar zelf chronisch aan twijfel. Soms lees ik schrijvers en denk ik: wat matig ik me aan? (Soms lees ik ook schrijvers en denk ik: wat matigen zij zich aan?)

Waarop de vraag rijst: wie heeft mij de aanmatiging aangepraat en wie de twijfel?

Scheppen is een perpetuum mobile tussen twijfel en hoogmoed. Sommigen hebben me regelmatig liefdevol over de twijfel heen geholpen, anderen hebben me graag gewezen op de hoogmoed.

Beide hulpverleners ben ik dankbaar.

Ik merk dat ik denkend over de vraag in twee werelden denk: opleiding en niet-opleiding.

Ik heb geen opleiding in schrijven genoten. Ik heb letter- en taalkunde gestudeerd. Daar heb ik vernomen hoe taal en teksten in elkaar zitten. Daar heb ik hun geschiedenis geleerd, hun sociologie, hun psychologie, soms ook hun chemie. Dat is natuurlijk allemaal belangrijk en ik haal er nog altijd mijn voordeel uit.

Ik heb er ook nadelen van ondervonden. Het heeft me jaren gekost om los te komen van een zekere rigiditeit in denken over letteren – en kunst in het algemeen – die de opleiding me meegegeven had. Ik heb zelf moeten leren denken, voelen en schrijven over schrijvers en kunstenaars. Over teksten en andere kunstwerken als levende, in mijn leven ademende dingen.

Die strijd schuilt zelfs vaak in wat ik heb geschreven. En misschien moet ik de opleiding, op een averechtse manier, dankbaar zijn dat ze me heeft doen strijden. Dat ze me, misschien zonder het zo te bedoelen, heeft gedwongen te zoeken naar die adem.

Het meest heb ik geleerd van die zoektocht.

Daarin hebben schrijvers een aanzienlijke rol gespeeld. Het kan niet genoeg gezegd worden, vooral tegen aspirant-schrijvers: schrijven vergt lezen. Gewoon lézen. Maar ook aandachtig, gericht lezen – een lectuur die wil achterhalen waarom en hoe schrijvers het hebben gedaan.

Want schrijven, zoals elk scheppen, heeft ook vaak van doen met oplossingen zoeken. En met het begrijpen van beweegredenen.

Als ik me beperk tot wat ik heb geschreven over kunst en kunstenaars – al heb ik net nooit naar kunst om de kunst willen kijken – dan komt er vanzelf een reeks namen in me op.

De lijst is te lang, maar ze reikt van Julian Barnes (‘Flauberts papegaai’!) tot John Berger, van K. Schippers tot Simon Schama, van Piet Meeuse tot Frank Vande Veire, van Gombrich tot Danto, van Francis Bacon tot Gerhard Richter.

Het zijn onderling erg verschillende stemmen. Sommige zijn speels, andere doodernstig. Sommige zijn ‘literatuur’, andere ‘kunstkritiek’, nog andere zijn – nu ja, weer iets anders. Toch krijg ik ze allemaal samen in deze ene zin van schrijver K. Schippers, waarvan ik rustig mag zeggen dat hij er altijd is bij het schrijven:

‘Ik denk dat je over kunst net zo moet schrijven als over alles, over een kopje dat op tafel staat.’

Maar er is nog meer.

Om het over een kopje te hebben kan het geen kwaad naar wat stillevens te hebben gekeken. En om het over een stilleven te hebben is het goed eens wat tijd te hebben doorgebracht met een kopje – en het licht eromheen.

Anders gezegd, niet alleen de opleiding, de schrijvers en het lezen hebben me iets geleerd. Al waren ze onontbeerlijk en vormen ze de grondslag, er is ook veel steenslag. Dingen die opvliegen, langskomen, als een soort zwerfstof in de zintuigen raken, daar verzamelen en een ruis vormen die misschien zelfs bepalender is voor de toon van het geschrevene dan al het geleerde.

In feite gaat het dan gewoon om ‘het leven’. Om fragmenten, flarden, toevalligheden allerhande. Om liedjes, films, losse zinnen en beelden, herinneringen – in wezen om alles wat maar bruikbaar is in de grabbelton van de dagen.

Soms wekt zo’n beeld of herinnering een zin. Soms is het omgekeerd, dan wekt een zin zo’n beeld of een lied en kan daaruit de tweede zin voortkomen. En zo kan een tekst vol kleine toonwisselingen komen te zitten.

Ook dit lijkt me niet onbelangrijk voor aspirant-schrijvers: dat schrijven een soort graaicultuur vergt. Schaamteloos de dagen plukken, sans gêne graaien in de grabbelton van het bestaan.

En zo blijft het schrijven dus altijd weer: oplossingen zoeken. Voor de schaamte, voor de twijfel en voor de hoogmoed. En voor de zinnen zelf nog het meest.

BERNARD DEWULF

In: Rekto Verso, nr.52, mei-juni 2012

Wingerd

tekst — Kaat op augustus 30, 2012 om 09:46

Laatst was het al laat. Het huis sliep al en ik zat eenzaam nog wat te zappen. Naast mij was begripvol de kater komen liggen. Toen kronkelde uit de afstandsbediening een opwindende scène. Ik stopte met zappen.
En keek.
Kijkend groeide een zekere schaamte. Zelfs slapend, blijkbaar, ziet het gezin de vader zitten. En niet al wat hij doet, is even goed. Ik kon er nog net mee leven en keek onrustig voort. Plots merkte ik dat de kater mij priemend in het oog had.
Toen was de lol eraf.
Ik heb hem bestraffend gemonsterd, maar hij draaide soeverein zijn kopje weg.

Hoe ver is het gekomen dat ik me zelfs schaam voor de blik van een kat? Die blik had geen idee wat de mijne aan het doen was. Toch voelde ik me veroordeeld.

Schaamte, zeggen definities, wordt veroorzaakt door de blik van de ander. Ze schijnt zoals haast alles te beginnen bij de moeder en loopt van vrienden, vijanden, kinderen en geliefden over buren tot de samenleving en ook God.
Ze is vervelend, kan ziekelijk worden, maar is zogezegd ook goed: ze stilt het beest in ons. Zonder de ander kan de ander maar beter uit onze buurt blijven. Dat ze nog niet helemaal feilloos werkt, herhaalt het nieuws zich dagelijks.

Als de definities gelijk hebben, ben ik ook een ander. Natuurlijk, blijkt de bankkaart leeg aan de kassa, of wenst de buur mij een prettige dag als ik verzaligd ontwaak uit de etalage van de plaatselijke lingeriewinkel, dan schaam ik me.
En schaamt de kardinaal zich almachtig nergens voor en noemt de mediatiek vermagerde politicus seksuele intimidatie lafhartig een oud-bourgondisch gebruik, dan schaam ik me peilloos in hun plaats.
Dat is de dagelijkse schaamte en ze kijkt naar de ander.
Maar de diepste schaamte kijkt uit de spiegel.
Over die schaamte is het moeilijk spreken.

Schaamte is van nature stil, schaamteloosheid pronkt met zichzelf. De diepste schaamte is zelfs doodstil. En is er altijd. Ze peutert niet in de overmaatse neus of doet mij niet verlegen op een feestje aankomen. ze zit lager onder mijn vel. Ze is een stille kracht en gaat tussen mij en ik.
Ze is oud, al weet ik niet hoe oud. Misschien even oud als ik. Of misschien is ze langzaam gegroeid. Met de tijd, met het falen, met de toenemende eenzaamheid van het vel.
Ze wordt niet per se rood, ze stottert niet noodzakelijk, ze giechelt niet, ze overbluft zichzelf niet. Maar misschien zit ze wel in elk gebaar dat ik maak. Althans, soms denk ik dat ik ze bij sommige anderen zo zie: als een zwijgzame, bijna geruisloze gêne die hen begeleidt. Niets uitgesprokens, niets dramatisch, niets mededeelbaars en dus zeker geen gesprekstof.

Deze schaamte is iets wat ik bén. Ik kan ze niet echt onderscheiden van de uren. Ze loopt met mij mee als een schaduw. Ik weet niet waar ze vandaan komt. Misschien is ze met de jaren verzameld fijn stof van alle kleine en grotere schaamte.Misschien is ze iets chronisch geworden, zoals sommige hoofdpijn. Misschien kijken alle blikken die mij ooit hebben beoordeeld, betrapt of vernederd, mij nu samen uit één kattenoog aan, ergens in mijn vochtige duisternis vanbinnen.
Misschien is het een wingerd die ooit in de biechtstoel als een stek in mij is geplant.
Ik weet het niet.

Ik weet alleen dat ik ermee zit.
Niet dat ze altijd dodelijk is, deze schaamte. Niet dat ze helemaal onleefbaar is. Soms denk ik zelfs dat ze me in leven houdt.
Om de twee dagen grijnst ze om mijn middelmatigheid, regelmatig giert ze om mijn lachwekkende hoogmoed. En staat mijn schamele naaktheid in de badkamer schrijnend in sokken, dan komt ze niet meer bij.
Andere dag is ze veel strenger. Dan sterf ik aan mijn geheimste schaamte.
Maar die dagen ga ik niet aan uw neus hangen. Die schaam ik me tussen mij en ik. En desnoods de kat.

BERNARD DEWULF
“Wingerd”, in: dS Weekblad, zaterdag 5 mei 2012, nr. 37, p.66

Grote Gevoelens: Schaamte

podium — Kaat op april 29, 2012 om 22:33

De eerste editie in een nieuwe reeks van NTGent en De Standaard: De grote gevoelens.

Waarom gevoelens? Omdat zij een dankbaar gemeenschappelijk raamwerk vormen om naar de ons omringende werkelijkheid te kijken. Emoties zijn van alle tijden en sturen vaak de waan van de dag. Of het nu over nervositeit achter de beurscijfers gaat, of over een politicus die betrapt wordt met een kamermeisje. Emoties bepalen in grote mate ons gedrag en dus ook het nieuws — tegelijk zijn het vooral de herkenbare gevoelens die de personages uit het toneelrepertoire zo Memorabel maken.

Als eerste groot gevoel hebben we Schaamte gekozen. Waarom? Omdat we dagen vol schaamte beleven. Hoor de verwijten van schaamteloosheid. Ontslagen werknemers slingeren ze naar de kop van bonusverdienende topmanagers. ‘Ook wij willen delen in de winst!’ Stakende vakbonden krijgen het verwijt voor de voeten gegooid. ‘Ook wij zijn het slachtoffer!’ Onmachtige politici moeten zich schamen, klinkt het op internetfora. ‘Ook wij willen bescherming!’ Om over de falende banken nog te zwijgen. De woedende burgers in de straten van Athene en Madrid. Anno 2012 roept de westerse mens de schaamte luidkeels af over zichzelf. Bang als we zijn om te verarmen. Bang als we zijn voor een milieu dat onherstelbaar beschadigd is. Hoe gaan we met die angsten om? Hebben we meer schaamte nodig? Of moeten we juist nog schaamtelozer durven zijn? Bovendien zegt schaamte ook iets over onze volksaard. Wij Vlamingen en Belgen hebben niet de neiging om hoog van de toren te blazen, maar identificeren ons graag met de underdog. En last but not least is het ook een emotie waar elke acteur mee vertrouwd is, al vanaf het eerste uur: de gêne die gepaard gaat met de eerste stappen op het podium. De schrik om een tekst te vergeten. De angst voor het zwarte gat van waaruit honderden toeschouwers stilzwijgend toekijken. Misschien heeft de Nederlandse schrijfster Connie Palmen het nog het best geformuleerd: ‘Schaamte is gebrek aan empathie met onszelf.’

Op zondagavond 6 mei aanstaande verwachten we u in onze schouwburg aan het Sint-Baafsplein voor een avond vol Schaamte. Datzelfde weekend publiceert De Standaard een themanummer van DS Weekblad, vol verrassende getuigenissen, beelden en reportages die schaamte als invalshoek hanteren. Werken aan dit project mee, in willekeurige volgorde: Frank Focketyn, Wim Opbrouck, Chris Thys, Servé Hermans, Joke Emmers, Naomi Velissariou, Reindert Vermeire, Vincent van der Valck, Wim Helsen, Stijn Meuris, Peter Vermeersch en Bernard Dewulf.

© 2017 | SCHAAMTE.BE | Kaat Haest