We gingen naar zee. Mijn oma klom op de keien,
die zwarte, die een mijl in het water steken.
Wij op het strand zagen haar, armen wijd,
dun knotje los, zwarte winterjas open,
glibber glibber over wier en algen lopen,
hoorden haar de ergste woorden schreeuwen,
schuddend met haar vuisten naar de bleke,
schichtig achteruit vliegende meeuwen.
Op het eind (we hadden stijve monden, konden
geen voet verroeren) draaide ze toch nog om.
Je moet, zei mijn vader, bij grootouders altijd even
denken: hoelang hebben ze nog te beven.
EVA GERLACH
voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,
de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,
het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,
zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf
zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.
Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had
onder de wielen van de tijd wegstoof.
MENNO WIGMAN

“Mijn vader zat altijd met de deur wagenwijd open te schijten. Zijn humus stonk buitenaards naar jarige kaas en vaak stond hij in zijn blote klokken in de gang, op twee meter van de pot, zodat ik niet kon doen alsof ik hem niet hoorde, en riep hij me hem een nieuwe rol toiletpapier of het andere stuk van de krant te bezorgen. Jaren was het zo gegaan, en het systeem werkte uitstekend: mijn vader kreeg zijn rol toiletpapier en zijn stuk krant altijd meteen. Maar nu Sylvie, mijn Brusselse nichtje, erop keek, leken wij ons opeens te willen verontschuldigen voor onszelf. We schaamden ons omdat we ’s ochtends krabbend en schartend in onze onderbroek de trap afdaalden. We schaamden ons omdat we voor televisie lagen te paffen met onze zweetvoeten op tafel. We schaamden ons om de kilo’s rauw gehakt die we aten voor de goedkoop en het gemak, en omdat we met onze blote hand in dat gehakt grepen en het goedje zo in onze mond staken en doorspoelden met koude koffie die ergens nog in een mok van gisteren was blijven staan. We schaamden ons om de wormen die we van het gehakt kregen en waartegen wij niets ondernamen. We schaamden ons om onze scheten die we lieten als kapelmeesters, de boeren die we vrije doorgang lieten. We schaamden ons om onze vloeken om niets, om het schaamhaar dat we ruifden boven de plee, om onze teennagels die we manueel korter scheurden en die vervolgens maanden bleven liggen op de mat. We schaamden ons om de sigaretten waarmee we in slaap vielen in de zetel, onze nicotinebruine tanden, onze bierlucht. We schaamden ons om de sletjes die mijn grootmoeder onaangekondigd aantrof bij het ontbijt en aan wie ze steeds opnieuw de naam moest vragen. We schaamden ons om onze dronken gezangen, onze smerige taal, ons braaksel en de steeds frequentere bezoeken van politie en deurwaarder. We schaamden ons, maar we deden er niets aan. ” (p.13-14)
DIMITRI VERHULST
Moeders moeten niet hun kinderen mee de stad in
nemen en dan achterlijk doen. Vooral niet in drukke
winkelstraten, waar iedereen loopt die de tijd heeft
om rond te kijken. Moeders moeten buiten niet te
hardop praten. En als moeders merken dat hun arme
kinderen zich doodschamen en een paar passen
inhouden om er niet bij te horen, moeten ze niet
expres gaan huppelen zodat echt iederéén ziet dat
ze aanstelsters zijn die hun kinderen voor de lol
voor schut zetten. Moeders moeten zeker niet zingen
midden in de stad als ze begrijpen kunnen dat hun
kinderen wel door de grond zouden willen zakken.
O, moeders hoeven zich niet te verstoppen in stilte,
maar eigenlijk liever wel, als een kind enkel nieuwe
schoenen moet en die moeder naar buiten mag
van mij.
TED VAN LIESHOUT
_____________________________________________________
> Wanneer heb jij je al eens geschaamd voor je moeder (vader)?
Of wanneer heb je als moeder (vader) gevoeld dat je kinderen zich voor jou schaamden?
>> Zoek eens een (jeugd)foto van je moeder (vader) waarvoor je je schaamt…