Alfredo heeft nog zes maanden te leven, maar hij vindt geen geschikt moment om het zijn familie te vertellen. Zijn moeder is net gestorven, zijn bejaarde vader ontmoet een nieuwe liefde en sluit zich op in het verzorgingstehuis waar zij woont, zijn vrouw ontvangt liefdesbriefjes van een geheime minnaar, zijn tienerdochter neemt wraak op haar beste vriendin en zijn zoon ziet geesten. En tot overmaat van ramp is de kat er ook nog eens vandoor. Alfredo zoekt troost bij zijn secretaresse, zonder de gevolgen te overzien…
“TWEE OUDE VROUWTJES schaamden zich dat ze waren zoals ze waren: klein, rimpelig, bevend, schuifelend.
Als ze toevallig naar elkaar keken sloegen ze hun ogen neer, en ze zeiden zo weinig mogelijk tegen elkaar.
Ze kleedden zich uit in het donker, keken nooit meer in een spiegel. En als de een ’s nachts in haar slaap haar arm om de ander sloeg, iets vriendelijks droomde, dan schoof de ander – als ze wakker was – zo ver mogelijk naar de rand van het bed, lag daar doodstil en met koude tenen.
Ze schaamden zich voor alle mensen die ze kenden. Ze schaamden zich dat ze binnen afzienbare tijd ziek en gebrekkig zouden worden. Ze schaamden zich vooral dat ze dood zouden gaan, met alles wat daaraan te pas kwam: het constateren van de dood, het afleggen, het opbaren, het zingen, het snikken, het begraven. Al die vreemde mensen om hun koude lijf.
Ze rilden als ze aan zichzelf dachten.
Ze zaten meestal zwijgend in hun stoel in hun grote, schemerige kamer en probeerden voortdurend zich iets moois te herinneren. Maar hun schaamte liet dat niet toe. Ze moesten hoesten en ze moesten zuchten. En soms moest een van hen zachtjes huilen.
De ander durfde haar dan niet te troosten. Ik weet niet meer hoe dat moet, dacht ze, misschien doe ik het wel averechts.
De een vond het afschuwelijk dat ze zich zo schaamde, en haatte bovendien ook nog dat gevoel van afschuw in zichzelf.
De ander was, wat haar betreft, liever een hond geweest, van een soort dat zo’n jaar of tien wordt, of een vlinder. Liever nog, dacht ze, waren mensen andere wezens geweest, toen ik als een van hen geboren werd.” (p.27-28)